maandag 19 september 2016

Meelopen met Goldingay

In 1998 en 2002 publiceerde John Goldingay in Engeland resp. de Verenigde Staten een autobiografisch getint boek dat vol staat met overwegingen naar aanleiding van de Bijbel, en natuurlijk vooral het Oude Testament; Goldingay is niet voor niets hoogleraar Oude Testament.
Goldingay denkt met ons na over wie God is en wat Hij doet, en wat de betekenis van ons geloof in God is is ons dagelijks leven.
Het is de bedoeling om dit boek bij stukjes en beetjes in deze blog in het Nederlands te vertalen. Hou ons dus in de gaten, er zal steeds (als het lukt) weer een hoofdstuk bij komen.

We beginnen met hoofdstuk 4: Brutaliteit of lef



Een tijdje geleden las ik een paar boeken over preken. Tot mijn verbazing stonden er hoofdstukken in over ‘De titel van een preek’.  Ik had nog nooit het gevoel gehad dat ik een preek een titel moest geven. Maar toen ik de Verenigde Staten bezocht, ontdekte ik de reden. In Amerikaanse stadjes was het vroeger de gewoonte, en nog steeds geloof ik, dat je in de lokale krant niet alleen het tijdstip van de zondagse kerkdienst aankondigde, maar ook het onderwerp van de preek. Het verwonderde me dat er niet alleen van je verwacht werd dat je je preek een pakkende titel gaf, maar ook nog dat je die de woensdag van tevoren klaar had. Meestal kost het me moeite om aan die beide verwachtingen te voldoen.
    Als dit de preek voor komende zondag was, zou dat in ieder geval wel lukken. Dit hoofdstuk gaat over ‘Vijf verbluffende dingen waarvan je tegen God kunt zeggen dat hij ze niet moet doen.’ Mijn collega George Bebawi hield eens een preek over de tien slechte gewoonten van God, en die hebben er deels mee te maken (God is altijd te laat, is onvoorspelbaar, geeft er niet om wat de mensen denken, zijn liefde maakt hem blind, hij verkiest de geknakte boven de sterke, spreekt zichzelf tegen, vergeet het kwaad en toont zelf berouw voor het kwaad, is trouw maar bedenkt zich, is tegenstrijdig, en gedraagt zich als een kind). 

Vijf verbluffende dingen waarvan je tegen God kunt zetten dat hij ze niet moet doen

Dit hoofdstuk gaat dus over ‘Vijf verbluffende dingen waarvan je God kunt vragen ze niet te doen.’ Die vijf dingen staan in Mozes’ gebed in Exodus 32. Vijf dingen waarvan je tegen God kunt zeggen: doe het niet!
Mozes is bij God op de berg en krijgt instructie over de manier waarop God en Israël met elkaar om moeten gaan. Het volk Israël wacht onderaan de berg. Het vraagt zich ongeduldig af hoe lang Mozes nog daarboven zal blijven dralen en de mensen besluiten een creatief initiatief te nemen in hun omgang met God. Dat initiatief, het gouden kalf, blijkt helaas precies het omgekeerde te zijn van wat God Mozes bovenop de berg opdraagt.

Verlies uw geduld niet

Daarom moet Mozes voor het volk bidden. En het eerste wat hij zegt is: ‘Verlies uw geduld niet.’ ‘Wilt u dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk, HEER, dat u met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd?’
            Wij vinden het al gauw vreemd dat God boos wordt. Maar dat hij dat wel wordt betekent dat God een echte persoon is. God is iemand met gevoelens en emoties, bijvoorbeeld mededogen en genade. God is iemand die liefheeft en om mensen geeft, die zich verheugt en geniet, die jaloers en boos wordt. God is niet een soort abstract iets daarboven, of een vorst die onbewogen op zijn troon zit, zonder dat ook maar iets hem raakt. God is een persoon met emoties, en daar hoort bij dat hij boos of woedend wordt of zijn geduld verliest.
Ik vermoed dat de Israëlieten vaak zeiden dat God boos was, omdat ze die indruk hadden door wat hen overkwam. Als iemand boos op je is, weet je dat: je hebt een draai om je oren gekregen, en je weet dat daar waarschijnlijk een reden voor was. Er gaan dingen verkeerd in je leven, in de wereld of in de kerk, en je maakt daaruit op dat God blijkbaar boos is.
            Als we kijken naar de wereld en de kerk zoals we die vandaag kennen, zouden we redelijkerwijs kunnen concluderen dat God boos is. Misschien is het in de wereld en de kerk (althans in Europa) daarom zo’n puinhoop. Dat het er met de kerk zo belabberd voorstaat accepteren we veel te gemakkelijk; we halen onze schouders erover op, in plaats van de vraag te stellen of God boos is. Maar we zouden God moeten uitdagen; misschien moeten we doen wat Mozes doet, namelijk tegen God zeggen: ‘Waarom bent u boos?’ Misschien krijgen we zelfs wel antwoord.

Laat ons niet vallen

Mozes’ tweede uitdaging aan God is: ‘Laat ons niet vallen.’ Geef het project waarmee u begonnen bent, niet op. ‘Wilt u dan uw toorn laten woeden tegen uw eigen volk, HEER, dat u met sterke hand en grote macht uit Egypte hebt bevrijd?’ U bent nog maar net met het karwei begonnen. U zei dat u ons naar het land zou brengen dat u aan ons beloofd hebt. U zei dat u een relatie met ons aan zou gaan. U zei dat u de wereld een voorbeeld zou geven van wat het betekent om Jahwehs volk te zijn. U geeft dat project toch niet op? U laat ons toch niet vallen? Dat kunt u niet doen!

Wek niet de verkeerde indruk

Mozes’ derde uitdaging is: ‘Wek niet de verkeerde indruk.’ Daarmee bouwt hij voort op de tweede. ‘Wilt u dat de Egyptenaren zeggen: “Hij heeft hen bevrijd om hen in het ongeluk te storten, om hen in het bergland te doden en van de aarde weg te vagen”?’ Denk eens aan de indruk die de wereld, de hele schepping, van u zou krijgen. Denk aan uw eigen reputatie.
In de Bijbel is dit vaak de basis voor een smeekgebed tot God. Dat lijkt misschien een wat zelfzuchtige reden. Maar de mensen in de Bijbel hebben kennelijk totaal geen scrupules in hun gebeden. Ze zijn tot alles bereid om God tot handelen te prikkelen. ‘U kunt ons nu niet verwerpen. Dat zou de indruk wekken dat u het karwei tenslotte toch niet kon klaren; dat u niet in staat was om Israël naar het land te brengen dat u het beloofd had.’

Wees niet onverbiddelijk

En ‘Wees niet onverbiddelijk.’ Laat uw heftige woede varen. Bedenk u en breng geen onheil over uw volk. Het Oude Testament is blijkbaar helemaal niet bang voor de gedachte dat God zich bedenkt. Lezers van de Bijbel voelen zich daar vaak ongemakkelijk bij, alsof het voor God niet nodig zou moeten zijn om van gedachten te veranderen. Maar iedereen die een leidinggevende functie heeft weet dat de beslissingen die je neemt meestal niet zijn gebaseerd op een zekerheid van 100%, of zelfs maar 90%. Vaak beslis je op basis van 60-40 (als je geluk hebt), of 51–49. En God is wat dat betreft in dezelfde positie als wij. Ook God moet soms kiezen voor de minst rampzalige aanpak.
Als God aankondigt dat hij van plan is ons te zegenen, is er geen sprake van dat je God op andere gedachten kunt brengen, zoals Bileam aan Balak uitlegt in Numeri 23. Maar als God aankondigt dat hij van plan is te straffen, is het altijd de moeite waard om te proberen hem over te halen dat niet te doen. Daar gaat Abraham vanuit ten behoeve van Sodom en daar gaan profeten als Amos en Jeremia vanuit. En een van de dingen die tijdens het bidden plaatsvinden, is dat we God inderdaad vragen om iets anders te doen dan hij van plan was. Anders zou gebed zelfs geen zin hebben. Als we God vragen iets te doen, is het de bedoeling dat dat verzoek een verschil maakt.
            Ann en ik nodigden eens een vriendin uit om met ons mee op vakantie te gaan. Ze sloeg de uitnodiging af, omdat ze zich de vakantie niet kon veroorloven. Het jaar daarna kon ze dat wel en ging ze wel mee; en we nodigden nog een andere vriendin uit. Deze tweede vriendin leek de uitnodiging ook af te slaan, maar de eerste vriendin spoorde ons aan om geen nee te accepteren. ‘Maar vorig jaar ging jij ook niet mee!’ riep ik. ‘Je hebt ook niet geprobeerd me over te halen,’ zei ze. Ik had me gewonnen gegeven, ‘nee’ geaccepteerd. Dat zal me niet nog eens gebeuren, niet bij haar, en ook niet bij God.


Vergeet niet wat u beloofd hebt

Ten vijfde: ‘Vergeet niet wat u beloofd hebt.’ ‘Denk toch aan uw dienaren Abraham, Isaak en Israël, aan wie u onder ede deze belofte hebt gedaan: “Ik zal jullie zo veel nakomelingen geven als er sterren aan de hemel zijn, en het hele gebied waarvan ik gesproken heb zal ik hun voor altijd in bezit geven.”’
            God heeft beloften gedaan. En in zijn gebed herinnert Mozes God daaraan. Als mensen zeggen dat ze dingen van God ‘claimen’ kan dat twijfelachtig klinken, maar er zit toch iets in. Je timmert op Gods deur of op Gods borst en zegt: ‘U mag uw beloften niet vergeten.’ In het gebed herinneren we God aan verplichtingen die hij is aangegaan, waar hij niet onderuit kan.
            En Jahweh verandert na het gebed van Mozes inderdaad van gedachten: hij ziet ervan af onheil over het volk te brengen. Als we (op een bepaalde manier) filosofisch willen zijn, kunnen we natuurlijk  zeggen dat God van te voren wist dat het moment zou komen waarop hij zich zou bedenken, en dat het allemaal deel uitmaakte van zijn plan. Zo willen we dan Gods soevereiniteit veilig stellen. Maar de Bijbel zelf doet dat niet. Wat de Bijbel doet, is het verhaal gewoon vertellen. De Bijbel zet Gods antwoord aan Mozes neer als een echt antwoord. Er staat niet tussen haakjes bij: ‘Natuurlijk wist God van tevoren dat Mozes zo zou bidden, en God had daar rekening mee gehouden.’ Als dat zo geweest was, zou Gods antwoord dan echt een antwoord zijn geweest?  Zoals de Bijbel het verhaal vertelt, is het wel degelijk een echt antwoord.
Wat er in ons gebed gebeurt, is dat God ons betrekt bij het besluitvormingsproces waardoor dingen in de wereld plaatsvinden. Daarom gebeurt er niks als we niet bidden. Misschien is dat wel de reden waarom de geschiedenis al zo lang duurt. Misschien duurt de kerkgeschiedenis daarom wel zo lang. Misschien duurde Israëls geschiedenis daarom zo lang. God vond nooit mensen die op het juiste moment het juiste ingrijpen voorstelden.
God nodigt ons uit om deel te nemen aan de verwezenlijking van zijn goddelijke plannen in de wereld. En daarom gebeuren er dingen (of juist niet) als mensen bidden.
Helaas houdt de manier waarop er in de kerk gebeden wordt vaak maar weinig verband met wat de Bijbel over dat onderwerp zegt; net als veel andere dingen die in de kerk plaatsvinden.

Vijf verbluffende dingen die je God kunt afraden:

Verlies uw geduld niet
Geef het niet halverwege het karwei op
Bied de mensen geen excuus om u verkeerd te beoordelen
Wees niet onverbiddelijk
Vergeet niet wat u beloofd hebt

Je kunt deze vijf gewaagde aansporingen ook positief verwoorden:

Heb geduld met ons
Houd het vol met ons
Wees u bewust van wat de mensen denken
Wees bereid om van gedachten te veranderen
Denk aan uw beloften




Geen opmerkingen:

Een reactie plaatsen